Parasjot
De wekelijkse gedeelten (parasja) van
de Thora, de eerste 5 boeken van de Bijbel, welke wereldwijd door
Joodse en Messiaanse gelovigen worden gelezen.
De Hebreeuwse namen van de Bijbelboeken zijn genoemd naar het eerste
woord van dat betreffende boek.
Ook de parasha is genoemd naar het eerste woord van dat betreffende
gedeelte voor die week.
De dag na het Loofhuttenfeest (Soekot) is Simcha Thora (vreugde der
wet) en dan begint men weer met Be-resjiet (Genesis 1).
Overzicht parasjot
Be-resjiet,
בראשית
(Genesis)
- 1. Be-resjiet, בראשית: In het begin schiep God de hemel en de
aarde (Gen. 1:1-6:8).
- 2. Noach, נח: Dit is de
geschiedenis van Noach (Gen. 6:9-11:32).
- 3. Lèkh Lekhâ,
לך‾לך:
De Eeuwige (יהוה) zei tegen Abram: ‘Trek weg uit je land, je
geboorteplaats en je vaders huis naar het land dat ik je zal wijzen’
(Gen. 12:1-17:27).
- 4. Wa-jerâ, וירא: En de Eeuwige verscheen hem bij de eiken van Mamre
(Gen. 18:1-22:24).
- 5. Chajjei Sârâh,
חיי
שרה: Sara leefde honderd en zevenentwintig
jaar (Gen. 23:1-25:18).
- 6. Toledot, תולדת: Dit
is de geschiedenis van Abrahams zoon Isaak (Gen. 25:19-28:9).
- 7. Wa-jetse, ויצא: Jakob verliet Berseba en ging naar Charan
(Gen. 28:10-32:3).
- 8. Wa-jisjlach, וישלח:
Jakob stuurde boden voor zich uit naar
zijn broer Esau,
naar
het land Seïr, het gebied van Edom (Gen. 32:4-36:43).
- 9. Wa-jesjèv,
וישב: Jakob woonde zich in het land Kanaän,
waar
ook zijn vader gewoond had (Gen. 37:1-40:23).
- 10. Mi-qets, מקץ: Na verloop van twee volle jaren kreeg de
farao een droom (Gen. 41:1-44:17).
- 11. Wa-jiggasj, ויגש: Juda trad naar voren (Gen. 44:18-47:27).
- 12. Wa-jehi, ויהי: Jakob leefde zeventien jaar in het land
Egypte (Gen. 47:28-50:26).
Sjemot,
שמות (Exodus)
- 13. Sjemot, שמות: En dit
zijn de namen van de zonen van
Israël die naar Egypte waren gekomen (Ex. 1:1-6:1).
- 14. Wa-’era, וארא: Ik ben aan Abraham, Isaak en Jakob verschenen als God, de Ontzagwekkende,
maar mijn naam (tetragrammaton)
heb
ik niet aan hen bekendgemaakt (6:3) (Ex. 6:2-9:99).
- 15. Bo, בו: De Eeuwige
zei tegen Mozes: ‘Kom naar
de
farao’ (Ex. 10:1-13:16).
- 16. Be-sjallach, בשלח: Toen de farao het volk liet vertrekken,
voerde God hen niet langs de weg die door het gebied van de Filistijnen
loopt (Ex. 13:17-17:16).
- 17. Jitro, יתרו: Jetro, Mozes’
schoonvader,
een priester in Midjan, hoorde wat God voor Mozes en voor
zijn volk Israël had gedaan (Ex. 18:1-20:23).
- 18. Misjpâtiem,
משפטים: Dit zijn de rechtsregels die je hun voor zult houden
(Ex. 21:1-24:18).
- 19. Teroemâh,
תרומה: Vraag de Israëlieten heffingen voor mij te nemen (Ex.
25:1-27:19).
- 20. Tetsawwèh,
תצוה: Draag de Israëlieten op om je voor de permanente
verlichting zuivere olijfolie te brengen (Ex. 27:20-30:10).
- 21. Ki tissâ, כי
תשא: Als je onder de Israëlieten een telling houdt (30:12) (Ex. 30:11-34:35).
- 22. Wa-jaqhel, ויקהל:
Mozes riep de hele gemeenschap van
Israël bijeen (Ex. 35:1-38:20).
- 23. Peqoedei, פקודי:
Hier volgt een berekening van de hoeveelheden
materiaal die voor de tabernakel gebruikt werden (Ex. 38:21-40:38).
- 24. Wa-jiqrâ,
ויקרא: De Eeuwige riep Mozes en sprak vanuit de
tent der samenkomst (Lev. 1:1-5:26).
- 25. Tsav, צו: Gebied Aäron en zijn zonen als volgt
(6:2) (Lev. 6:1-8:36).
- 26. Sjemini, שמיני: Op de achtste dag riep Mozes Aäron
en zijn zonen (Lev. 9:1-11:47).
- 27. Tazria‘, תזריע:
Wanneer een vrouw een
kind
baart (12:2)
(Lev. 12:1-13:59).
- 28. Metsorâh,
מצרה: Dit zijn de voorschriften voor de melaatse op de dag van zijn
reiniging (14:2) (Lev. 14:1-15:33).
- 29. Acharei mot, אחרי
מות: Na de dood van de twee zonen van
Aäron (Lev. 16:1-18:30).
- 30. Qedosjiem, קדשים:
Weest heilig,
want ik, de Eeuwige, jullie God, ben heilig (19:2) (Lev. 19:1-20:27).
- 31. ’Èmor, אמר: Zeg tegen de priesters, de
zonen van Aäron (21:2) (Lev. 21:1-24:23).
- 32. Be-har, בהר: De
Eeuwige sprak als volgt tot Mozes, op
de
berg Sinaï (Lev. 25:1-26:2).
- 33. Be-choeqqotai,
בחקתי: Als jullie acht slaan op
mijn
bepalingen (Lev.
26:3-27:34).
Be-midbar,
במדבר
(Numeri)
- 34. Be-midbar, במדבר: En
op de eerste dag van de tweede maand, in het tweede jaar na hun
uittocht uit Egypte, sprak de Eeuwige tot Mozes in de Sinaiwoestijn, in de
tent der samenkomst (Num. 1:1-4:20).
- 35. Nâso, נשא: Tel ook de Gersonieten, per
familie en per geslacht (4:22) (Num. 4:21-7:89).
- 36. Be-ha‘alotkhâ,
בהעלתך: Zeg tegen Aäron dat
hij de lampen zo op de standaard zet dat het licht van alle
zeven lampen naar voren valt (8:2) (Num. 8:1-12:16).
- 37. Sjelach lekhâ,
שלח לך: Stuur er een aantal mannen op uit om Kanaän, het land
dat ik de Israëlieten geven zal, te verkennen (13:2) (Num.
13:1-15:41).
- 38. Qorach, קרח: De
Leviet Korach,
de zoon van Jitshar, de zoon van Kehat, en de Rubenieten Datan en
Abiram, de zonen van Eliab, en On, de zoon van Pelet, kwamen tegen
Mozes in opstand (Num. 16:1-18:32).
- 39. Choeqqat, חקת: Dit is een wet van de eeuwige Thora die de
Eeuwige heeft ingesteld (19:2) (Num. 19:1-22:1).
- 40. Bâlâq,
בלק: Balak, de
zoon van Tsippor, zag wat Israël de Amorieten had aangedaan (Num.
22:2-25:9).
- 41. Pinchâs,
פינחס: Dankzij Pinechas,
de
zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heb ik mijn
woede tegen de kinderen Israëls laten varen (25:11) (Num.
25:10-30:1).
- 42. Mattot, מטות: Mozes
zei tegen de stamhoofden van de kinderen
Israëls (Num. 30:2-32:42).
- 43. Mas‘ei, מסעי: Dit
zijn de tochten die de kinderen
Israëls gemaakt hebben (Num. 33:1-36:13).
- 44. D'variem, דברים: Dit
zijn de woorden die Mozes tot heel
Israël heeft gesproken (Deut. 1:1-3:22).
- 45. Wâ-etchannan,
ואתחנן: En ik heb de Eeuwige gesmeekt (Deut. 3:23-7:11).
- 46. ‘Eqèv, עקב: Wanneer u gehoorzaamt aan deze
voorschriften (Deut. 7:12-11:25).
- 47. Re’eh, ראה: Zie, heden leg ik u
voor zegen en vloek (Deut. 11:26-16:17).
- 48. Sjofetiem, שפתים:
Stel in alle poorten die de Eeuwige, uw God, u in uw stammen zal geven, rechters en beambten aan (Deut.
16:18-21:9).
- 49. Ki tetse, כי תצא: Als u ten strijde trekt tegen uw vijanden (Deut.
21:10-25:19).
- 50. Ki tâwo, כי
תבוא: Als u het land zult binnengaan dat de Eeuwige, uw God, u
als erfgoed zal geven (Deut. 26:1-29:8).
- 51. Nitsâwiem,
נצבים: Hier bent u allen nu bijeen, ten
overstaan van de Eeuwige, uw God (Deut. 29:9-30:20).
- 52. Wa-jelèkh,
בילך: Hierna ging Mozes en sprak deze woorden
tot geheel Israël (Deut. 31:1-30).
- 53. Ha’azinoe, האזינו: Neigt het oor,
hemelen, nu ik ga spreken, | Luister, aarde, naar wat ik zeggen zal
(Deut. 32:1-52).
- 54. Ha-berâkhâh,
הברכה:
En dit is de
zegen die Mozes, de
man Gods, uitsprak over de kinderen Israëls, voor hij stierf
(Deut. 33:1-34:12